zondag 30 juni 2013

1745 December 14 en 17 valse getuigenissen

NAH 2418, notaris Jacob van Beek: verklaringen op verzoek van Wouter Alkmaar tegen gezusters Sloos, i.v.m. buitenechtelijke zwangerschap van Maritje.
~ ~ ~

Op desen 14e december 1745 compareerden voor mij Jacob van Beek openbaar notaris bij den Hove van Holland geadmitteert, binnen de stad Hoorn residerende, ende de nagenoemde getuijgen:
Pieter de Ruijter ende zijn huijsvrouw Maritje Andries, gewoont hebbende op 't Smerighom, naast Jannetje en Maritje Sloos, dogh nuw wonagtigh inde molensteeg alhier: zielen van genoegsame ouderdommen, om de waarheijt te getuijgen
dewelke ten versoeke van sr. Wouter Alkmaar commissaris van de kleijne saken, en wijnoper mede alhier, hebben getuijght ende verklaard hoe waar is

dat Jannetje en Maartje Sloos, dikwils ten huijse van hem deposant plegen te komen om een buurepraatje, en hem als familiaire huure te besoeken, en alsoo menigen avond bij hem hebben gepasseert.

dat laatstleden vastenavond drie jaren geleden het gebeurt is, dat voorn. Jannetje en Maartje Sloos also ten zijnen deposants huijs wesende, gekomen seker ongetrout persoon (om redenen niet te noemen) des avonds mede ten zijnen huijse quam coffij te halen,
dat die persoon, merkende of wetende dat Jannetje en Maritje Sloos agter saten, hem deposant vraagde off hij wel mogt agter bij haar gaan,
dat hij deposant zulx toestaande, die persoon daarop nae agteren gingh.
dat hij dep. te rade wierd, vastenavond te houden, de voorn. Jannetje en Maritje Sloos, nevens dienongetroude persoon, en nog ijemant anders heeft getracteert op brandewijn met suijker.
dat hij dep. sijn hand vol houdende, ende voorn, sijne gasten, niet weijgerigh wesende, bij deselve en wel speciaal bij Jannetje en Maritje Sloos rijkelijk brandewijn met suijker is gedronken.

Marijtje Andries (doe nog zijnde dienstmeijt bij voorn. hare man) verclaard particulier, dat sij eens na voren gegaan zijnde, onderwijlen Jannetje Sloos, die nae huijs wilde, uijtliet, en een weijnig tijt daar nae weder aghter komende, Maritje Sloos vond sitten op de knie van dien ongetroude persoon, hebbende sij geen rijglijff aan, en haar boesem open, sittende in een onbetamelik postuur, latende haar op een seer onmanierlijke wijse van dien ongetroude persoon aangrijpen, handelen en bevoelen, in soo verre dat sij dep., haar daar aan ergerende‚ tegen voorn. Maritje Sloos uijtvoer, wel foeij Maritje, sitje daar zoo? sij Maartje Sloos dat beantwoorde met te seggen, wel nouw Marijtje is daar zoo veel aangelegen? ik doe er geen quaad aan, 't gaat met de vreught en de soetigheijt door, off diergelijke woorden in substantie.

Pieter de Ruijter en zijn huijsvrouw Marijtje Andries verclaren beijde, dat een wijle tijts voor dat dien ongetroude persoon voorn. Maritje Sloos op zijn knie hadde gehad, denselve ongetroude persoon sijn goutbeurs overgaff aan een andere persoon aldaer mede present, seggende ik sal het wel eens weder halen, ik betrouw 't bij mij niet, waar over met malkander aan de praat gerakend seijde die ongetr. pers., op wiens knie voorn. Maritje Sloos naderhant quam te sitten, 't zijn niet alleen hoeren, maar 't sijn dieve hoeren, zulx duijdende op Jannetje en Man'tje Sloos.

Pieter de Ruijter verclaard particulier, dat als wanneer Jannetje Sloos 's anderen daags morgens bij hem quam, hij dep. voorn. Jannetje Sloos daar over aansprak, seggende hoe kunt gij uw alsoo laten uijtschelden voor hoeren en dieve hoeren hoe kunt gij dat verdragen? Voorn. Jannetje daarop seijde, dat is niet waar, dat is niet geschiet.
dat hij deposant wel wetende dat sulx al waar was selve willende bewaarheijt hebben voorn. persoon savonds daaraan versoght bij hem te komen, nevens Jannetje en Maaritje Sloos, gelijk ook dan te samen quamen
dat hij dep, denselve persoon in presentie van voorn. Jannetje en Maartje Sloos daarop heeft afgevraaght, off hij de gepasseerde naght, onder 't overgeven van sijn goudbeursje, niet geseght hadde, dat sijluijden beduijdende daar mede Jannetje en Maritje Sloos, niet alleen waren hoere, maar dieve hoeren, dien persoon, toen nughteren en wel in staat wesende daarop rondborstig in haar presentie antwoorde ja, dat ik van de naght geseijt heb, dat seg ik nog en dat houw ik staande, en daar blijff ik bij, off diergelijke woorden in substantie.
dat 't selve bij Jannetje en Maritje Sloos, met stilswij gen wierd beantwoord, sonder ijets daar tegen ingebragt te hebben.
dat des niettegenstaande, nae dien tijt, voorn. ongetroude persoon meermalen bij Jannetje en Maartje Sloos, in huijs is geweest, en met malkander hebben omgegaan, meest bij avond en ontijden.

nog verklaard Pieter de Ruijter particulier, dat nuw omtrent twee jaren geleden, sonder eghter de nette tijt te kunnen bepalen, voorn. Jannetje Sloos, savonds om elf uuren, zooals hij deposant al te bedde lag, hem deposant heeft opgeroepen, en versogt met haar te gaan, om haar suster Marritje Sloos (die sij zeijde een swear overval gekregen te hebben, ten huijse van een vrouw die zij peet Maritje noemde, en op de turfhaven woonde) te helpen thuijs brengen dat hij deposant, al vrij wat daartegen aan sagh, dog eghter het selve niet kunnende weijgeren, met voorn Jannetje Sloos is gegaan na dat voorn. peet Maritje, wonende op de turfhaven, bij of naast de smit.
dat hij deposant komende ten huijse van dat peet Maritje aldaar de voorn, Maritje Sloos, in onmaght vond leggen op de vloer,
dat hij deposant haar ter deegh beschouwende en willende ophelpen, bevond, dat sij Maritje Sloos dronken was, van dronkenschap op de vloer lagh, en buijten staat was om selfs off alleen nae huijs te kunnen gaan.
dat hij deposant over dat geval wel wat gevoeligh en niet wel in den sin was, eghter de moeijten nam, van haar Maartje Sloos, in die gestalte te helpen thuijs brengen,

verclarende wijders de deposanten beijde, dat sijluijden, dikwils, bij naghten en ontijden onderscheijden manvolk ten huijse van meer voorn. Jannetje en Maartje Sloos, hebben gehoort ende vernomen, en veelmalen groot rumoer op haar deur bespeurt.
dat het ook wel gebeurt is, dat in sulken geval, voorn. Jannetje en Marìtje Sloos aan hem deposant riepen om hulp, dogh dat hij deposant sigh niet gaarn in rusi en ongemak willende steken, sigh binnen sijn deur hieuw.
dat als Jannetje Sloos dan smorgens daaraan bij hem deposant quam om regenwater, hij deposant wel tegen haar zeijde, Jannetje wat heeft vande naght weer en groot gewelt aan uw huijs geweest, zij dan meestentijts daarop niet veel antwoorde, maar ten eenemaal stil sweegh.

gevende voor redenen van wetenschap hunne eijgene ondervinding, en al hun gedeposeerde te hebben gehoort, gesien en bijgewoont, presenteerende 't selve des gerequireert onder eede te bevestigen

compareerde mede Dirkje Koelemans, huijsvrouwe van Jan Visser wonende alhier, mede van genoegsame ouderdom om de waarheijt te getuijgen, dewelke ten versoeke als voren heeft verclaard
dat laatstleden st. Claas avond den 5. deser, zoo als sij quam gaan voor de herberg 't ongemaakte schip tusschen tien en half elven seker heer haar deposante op sij schoot en haar aansprak.
seggende vrouwtje, of susje weet gij mij niet te wijsen waar de Sloosjes wonen? sij deposante daarop, ja, moet gij bij die hoer wesen‚ hij weder ja, sij deposante met dien heer op 't smerighorn voortliep en hem aldaar 't huijs van Jannetje en Maartje Sloos aangewesen heeft.
dat dien heer aan 't voorsr. huijs kloppende, hem aanstonds wierd open gedaan, en deselve daarop binnen gelaten is geworden.
dat sij deposante de nieusgierigheijt hebbende off dien heer ook schielijk daar weder zoud uijtkomen, eenige tijt sig daaromtrent heeft opgehouden en haar oog op de deur van voorsr. huijs houdende tot dat het haar verveelde, sij deposante niet anders bespeurde off dien heer bleef daar binnen.
verclaarde wijders dat sij deposante dikwils en wel in den jare 1744 en bevorens, savonds is gekomen aan 't huijs van voorn Jannetje en Maartje Sloos, om waar te halen.
dat sij deposante dan ook wel dikwils bespeurt heeft dat aldaar geselschap was van manvolk,
dat het ook wel gebeurt is, dat sij deposante bij avondt vier manspersonen tegelijk op de stoep en op straat voor de deur van voorn. Jannetje en Maartje Sloos heeft gesien, die ook gesamentlijk aldaar in huijs wierde gelaten.
Gevende voor redenen van wetenschap mede haar gedeposeerde te weten bij eijgen ondervindingh en 't selve te hebben gehoord, gesien ende bij gewoondt.
Presenterende daaromme mede haar gedeposeerde, des gerequireert, onder solemneele eede te bevestigen.
Gedaan in Hoorn present Claas van Beek en Claas Roemersz als versogte getuijgen

[wg.] Pieter de Ruijter
dit merk + stelde Marijtje Anderies
dit merk + stelde Dirkje Coelemans
Claas van Beek
Klaas Roemersz
mij present J. v. Beek nots.





NAH 2418

Op desen 14e december 1745 compareerde voor mij Jacob van Beek, openbaar notaris bij den Hove van Holland geadmitteert binnen de stad Hoorn residerende, ende de nagenoemde getuijgen

Jan Wiggertsz wonende alhier als kneght in 't huijs van gemak bij de wester-poort, van genoegsame ouderdom om de waarheijt te getuijgen, dewelke ten versoeke van Sr. Wouter Alkmaar commissaris van de kleìjne saken, en wijnoper alhier, heeft getuijgt ende verklaard, hoe waar is

dat op seker st. Laurens kermis, drie a vier jaren geleden sonder de nette tijt te kunnen bepalen, alhier in voorsr. herberg quamen logeren drie heeren zoo als het scheen, met oogmerk om alhier kermis te houden; dat twee van die drie, hem deposant‚ toen ook als knegt aldaar wesende, vraagde off hij niet wist, off haar konde besorgen twee vrouwluijden, die met haar kermis soude willen houden; dat hij deposant daarop antwoorden ja, die twee heeren, dan is 't wel, besorgt se dan; dat hij deposant daarop is gegaan na Jannetje en Maritje Sloos, wonende alhier op 't smerighorn; dat hij deposant aan deselve Jannetje en Maritje Sloos te kennen gaff dat in 't huijs van gemak waren gekomen drie heeren om alhier kermis te houden; dat twee van de drie hem deposant hadde gevraagt na twee vrouwluijden om met haar kermis te houden.
dat sijn deposants gedaghten waren gevallen op haarluij; dat hij om die boodschap nu bij haar quam, en off zijluíjden daar toe niet wel genegen waren?
dat voorn. Jannetje en Maritje Sloos daarop aanstonds hebben geantwoord van ja, en dat sijluijden dat aannamen, met sulke off diergelijke woorden in substantie; dat kort daaraan voorn. Jannetje en Maritje Sloos sijn gekomen in 't huijs van gemak bij voorn. heeren, en een weijnigh tijts daarna met deselve sijn uijtgegaan, blijvende die heeren savonds en 's naghts buijten 't huijs van gemak en quamen niet voor dag thuijs; dat hij deposant 's naghts over straat en in de kermis wandelende, die twee heeren met Jannetje en Marijtje Sloos ook nog heeft aangetroffen gehoordt ende gesien bij malkander in een wafelkraam.

Nog verclaard den deposant, dat nuw omtrent twee jaren geleden, mede sonder in de nette tijt aghterhaalt te willen zijn, hij deposant op een avond om negen uuren is geweest ten huijse van Pieter de Ruijter doe ter tijt wonagtig op 't smerighorn; dat diestijts aldaar mede present waren de voorn. Jannetje ende Maritje Sloos; dat sijluijden gesamentlijk door voorn. Pieter de Ruijter wierde getracteert op een bitter janevertje, dat sijluijden uijt een flesje met malkander in 't rond, om dronken; dat meervoorn. Jannetje en Maaritje Sioos eijndelijk zoo ver heen quamen en van den drank sodanig bevangen en dronken wierden, dat ten eenemaal buijten staat waren en dat dat geselschap niet scheijden voor in de morgen stond bij gissingh om en aan drie uuren.

gevende voor redenen van wetenschap zijn eijgen ondervindingh en dat hij deposant al het selve hadde gehoort, gesien ende bij gewoont, presenterende zijn gedeposeerde onder eede nader te bevestigen

gedaan in Hoorn present Claas van Beek en Claas Roemersz als versogte getuij gen
[w.g.] ijan wiggerse
Claas van Beek
Klaas Roemersz
mij present J .v.Beek nots.



NAH 2418

Op desen 17e december 1745 compareerde voor mij Jacob van Beek, openbaar notaris bij den Hove van Holland geadmitteert binnen de stad Hoorn residerende, ende de nagenoemde getuijgen: Neeltje Hendriks, huijsvrouwe van Cornelis Beschier wonende alhier van genoegsame ouderdomme om de waarheijt te getuijgen, dewelke ten versoeke van sr. Wouter Alkmaar commissaris van de kleijne saken, en wijnkoper alhier, heeft getuijght ende verklaard

dat in het laatste thuis wesen van haare neeff Jan vander Paden uijt India zijnde geweest inde nasomer of herfst van 't jaer 1744 sij deposante hadde gehoort dat deselve hare neeff 's naghts, een en andermaal was geweest bij haar nigten Jannetje en Maartje Sloos wonende alhier op 't smerighom, sij deposante deselve hare neeff Jan vander Paden daarover had aangesproken, bij occasie, deselve daer nae, ten hare huijse was gekomen;  dat sij deposante tegen deselve Jan vander Paden hadde gesegt, wel foeij neeff, ik hoor dat gij
bij naght geweest zijt, een en andermaal, bij de nigjes Jannetje en Maaritje Sloos, wat doet gij daer snagts, gij zijt een getrouwt man, het past uw niet, gij hebt selfs een vrouw, en sij staan immers niet ter goeder naam en faam?

de voorn. Jan vander Paden haar deposante daar op tot antwoord hadde gegeven; ja nigt het is waar, ik hebber geweest, dog ik wist niet dat het sulke hoeren waren gelijk als ik er aan bevonden heb, het heeft mij gelt genoegh gekost, ik sal der noijt weder komen. Of diergerije woorden in substantie.

gevende voor redenen van wetenschap haar deposants eijgen ondervindinghen en haar gedeposeerde te hebben gehoort, gesien ende bij gewoont, presenterende 't selve des gerequireert, bij eede te bevestigen.

gedaan in Hoorn present Jacob van Beek de jonge en Claas Roemersz als versogte getuijgen

[wg.] dit + merk stelde Neeltje Hendriks
Jacob van Beek de Jonge
Klaas Roemersz
mij present J.v.Beek nots.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen