woensdag 21 januari 2015

Broedertwist over 'afvillen van kalveren'

Concurrentiestrijd tussen gebroeders Ott in 1896, uitgevochten in de krant.

Pieter Ott (1858-1934), Dirk Ott (1864-1931), Alewijn Ott (1871-1962)

De gebroeders Dirk en Alewijn Ott (resp. 32 en 25 jaar oud), beiden slager, wilden bijverdienen als 'kalverafvilder', een specialiteit die hun oudere broer Pieter Ott (38 jaar) van hun oom Matthijs Peetoom (1845-1915) had geleerd.
de kunstbewerking, waarmede men een ongeboren kalf in den draagzak of de baarmoeder der koe zoodanig binnen de huid ontleedt en bij gedeelten naar buiten brengt, dat ten laatste de huid met de nog overgebleven gedeelten van den romp kan worden afgetrokken (woordenboek 1875)
 De volgende knipsels komen uit "De Nieuwe Courant - Goedkoop Nieuws- en Advertentieblad voor West-Friesland" van 23 en 31 december 1896:


De ondergeteekenden maken bekend, dat zij zich oefenen in het afvillen van Kalveren, omdat zij van meening zijn, dat die personen niet gemist kunnen worden. Zoo men weet moet er een kalf aangefokt worden om in de Koeien te blijven; derhalve gaan wij zeggen: "met villen moeten er jongeren beginnen te leeren, terwijl er nog anderen zijn, wil men villende blijven."
Nu hooren wij zeggen dat P. OTT, verklaart, dat wanneer er iemand onze hulp inroept en wij die niet kunnen verleenen, het tarief bij hem 2 à 3 maal verdubbeld wordt; dat zouden wij niet overdreven vinden, wanneer de Koeien dan maar in leven bleven. Maar Helaas!!!
De ondergeteekenden,
D. OTT, Slager te Zwaag.
A. OTT, Slager te Venhuizen.


Naar aanleiding
van de advertentie in het vorig nummer dezer Courant, van de Kalverenafvillers (?) D. OTT te Zwaag en A. OTT te Venhuizen.

Dat ik diep verontwaardigd was,
Toen ik de advertentie las,
   Omtrent het kalf afvillen
Van D. Ott en van Alewijn,
Er zullen zeker velen zijn
   Die dat gelooven willen!
Ja, ieder die mij kent en weet,
Hoe ik dat werk tot nu toe deed,
   Zal dat gewis beseffen!
Want toch, het is een groot schandaal.
De toeleg: om door logentaal,
   Mij in mijn brood te treffen.
Terstond rees in mij op de vraag:
Waar haalt gij toch D. Ott te Zwaag
   En A. Ott te Venhuizen,
Den moed van daan om dat te doen,
Mij zoo te tasten in 't fatsoen.
   Door broodnijd te verguizen?
Maar 't kalf afvillen is geen gunst,
Integendeel het is een kunst,
   Die moeilijk valt te leeren,
En die gij geen van beiden kunt,
Al schaamt ge u niet op dat punt,
   Een ander te blameeren.
Een kunst is 't, die men leeren kan,
Door 't onderricht van eenen man
   Die daarin is ervaren!
Bijvoorbeeld: zooals Oome Thijs,
Die werd uit ondervinding wijs,
   In vele, vele jaren!
Schoon ik er nooit van heb gerept
Schrijft gij, dat gij vernomen hebt,
   Dat elk, die mij komt halen;
Bij koeien waar gij 't werk begon,
Maar het onmoog'lijk redden kon,
   Driedubbel moet betalen!
Dat was niets erg, las ik aan 't slot
Wanneer de koeien van P. Ott
   Dan maar in leven bleven;
Helaas! volgt dan, wat zeggen wil,
Dat daar waar ik het kalf afvil,
   De koe niet blijft in leven!
Welnu ik sta er niet voor in,
Dat daar waar ik dat werk begin
   De koe steeds blijft behouden,
Want dat kan niemand, wie 't ook zij!
Dat weten allen, die aan mij,
   Hun heesten toevertrouwen.
Maar 'k werk alleen voor abonné's,
Dus er bestaat volstrekt geen vrees,
   Mij dubbel te betalen.
Voor werk, verknoeid door een der twee
Gebroeders Ott, want 'k ga niet mee,
   Als men mij daar mocht halen.
Maar wie zich aan u geeft te waag,
't Zij te Venhuizen of te Zwaag,
   Of ergens in die streken;
Die handelt zeker ver van wijs,
Doch waagt zich daarmêe op zwak ijs,
   Met veel gevaar van breken.
Als men een hond slaat of een kat,
Gebeurt het vele malen, dat
   Wij daarvoor boeten moeten,
Maar iemand, die een koe bezeert
Met kalf afvillen, nooit geleerd
   Moest men veel eer beboeten!
Hebt gij dat duidelijk verstaan,
Mijnheer de ex-Amerikaan?
   Want daar waart gij verlegen,
En had van armoe dood gegaan
Als gij geen reisgeld hier vandaan,
   Van Twisk af had gekregen.
Ziet, dat gij Burgemeester wordt,
Van Zwaag, want daar moet binnenkort,
   Wel weer een ander komen;
Gij draagt een snor en staande boord,
En dus: geloof mij op mijn woord
   Gij wordt bepaald genomen.
't Zou beter baantje voor U zijn,
Dan villen, en ook Alewijn
   Moest het maar niet probeeren;
Dat is een welgemeende raad,
Want geen van beiden is in staat
   Om dat ooit goed te leeren.

Ooster-Blokker.  

P. OTT,
Kalveren-afviller.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen